De Arnhese terreurzaak 'Orem' kan worden geanalyseerd met behulp van criminologische theorieën. Deze theorieën bieden een fundament bij het verklaren van zowel het sociale leerproces van de daders evenals de situationele kenmerken van de geplande daad. De theoretische kaders bieden niet alleen een verklaring voor de individuele en collectieve motivaties, maar werpen ook een blik op de processen van radicalisering en groepsvorming. Terrorisme wordt in de hedendaagse criminologie steeds vaker beschouwd als een uitzonderlijke en extreme vorm van criminaliteit. Hiermee zijn criminologische uitgangspunten over oorzaak en gelegenheid relevant voor het begrijpen van de beslissingsprocessen en de operationele aspecten van terreur. Denk hierbij aan de Rationele Keuze Theorie (RKT) en de Differentiële Associatie Theorie (DAT). De analyse richt zich op twee kernpunten; leertheorieën en gelegenheidstheorieën. Dankzij de theorieën kan deze zaak op een wetenschappelijke wijze worden onderzocht.
Leertheorieën | sociale associatie en rechtvaardiging
De groepsdynamiek en de gezamelijke voorbereidingen van de zes verdachten wijzen op de relevantie van sociale leertheorieën.
Differntiële Associatietheorie (Sutherland): deze theorie stelt dat crimineel gedrag wordt aangeleerd dankzij interactie met andere personen via persoonlijke groepen. Deze terreurgroep functioneerde als een verbinding waarbij de daders vaardigheden, motieven en rationalisaties leren die nodig zijn voor het plegen van terreur (Völker et al., 2015). De ideologische radicalisering en het aanleren van handelingen zoals het gebruik van explosieven, vonden plaats binnen het gezamelijk perspectief (Bruinsma, 1985; Völker et al., 2015). Aansluitend hierop bieden de technieken van neutralisatie inzicht in hoe de daders omgaan met schuldgevoelens. De theorie is essentieel voor het verklaren van een motief en dit verklaart dat de daders het geweld rationaliseren door een beroep te doen op 'hogere machten' of het 'negeren van het slachtoffer' (slachtoffers zien als vijanden of legitiem doelwit) (Bruinsma, 1985). Deze neutralisatie technieken zijn een cruciaal element in de ideologie van terroristen.
Gelegenheidstheorieën | rationele keuze en routine activiteiten
Het plannen van de terreuraanslagen kan worden begrepen vanuit de gelegenheidstheorieën.
Routine Activity Theorie (RAT, Cohen & Felson)| de RAT is een belangrijke theorie binnen de criminologie en stelt dat een misdaad plaatsvindt wanneer drie elementen samenkomen; [1] gemotiveerde dader(s) (de terreurgroep), [2] een geschikt doelwit (grootschalig evenement) en [3] afwezigheid van een capable guardian (weinig toezichthouders). (Brunet, 2002; Miró, 2014)
Toepassing | de Arnhemse terreurgroep voldeed aan het eerste element (gemotiveerde daders). Hun planning van een aanslag richtte zich op een 'geschikt doelwit' wat een grote impact zou hebben. In deze zaak werd de aanslag voorkomen dankzij het werk van de autoriteiten (politie & AIVD), die de rol van een capable guardian verwezenlijken (Miró, 2014).
Rationele Keuze Theorie (RKT)| de RKT ziet criminaliteit als een weloverwogen, rationele beslissing (Vlaams Vredesinstituut, 2017). De RKT wordt beïnvloed door de RAT, doordat de toegankelijkheid van het doelwit en de kans om gepakt te worden (guardianship) deel uitmaken in de afwegingen van de dader. (Brunet, 2002) De lange voorbereidingsfase van de Arnhemse terreurgroep, inclusief het verwerven van middelen en het gezamelijk trainen, duidt op een proces waarbij de verdachten de kosten (risico op arrestatie) en de baten (het bereiken van hun ideologische doelstellingen) van de terreurdaad afwogen (Brunet, 2002; Vlaams Vredesinstituut, 2017).
De criminologische theorieën bieden een wetenschappelijk kader om zowel de innerlijke motivatie en groepsdynamiek (leertheorieën), evenals de situationele uitvoering van de plannen (gelegenheidstheorieën) in deze zaak te analyseren.
Maak jouw eigen website met JouwWeb